Pterinochilus murinus

Pterinochilus murinus

Pterinochilus murinus Pocock, 1897, ook wel de “Orange baboon tarantula”, afgekort als “OBT”, “Mombasa Golden Starburst Tarantula”, “Usambara Baboon”, “Orange bitey thing” of “Pterror” genoemd, is een door haar gedrag en kleurenpatroon zeer opvallende vogelspin uit Centraal-, Oost- en Zuid-Afrika. Pterinochilus maakt deel uit van de groep van de baviaanspinnen. Indien u “Harpactira elevata“, “Pterinochilus mamillatus” of “Pterinochilus hindei” hoort vallen, heeft men het weldegelijk over Pterinochilus murinus. De spin is razendsnel, beschikt over een bijzonder sterk neurotoxisch gif en staat erom gekend erg defensief te zijn. Kleuren kunnen, afhankelijk van locatie en ondergrond, variëren van goud-oranje tot lichtrood of zelfs grijs-zwart. Deze vormen worden in de hobby als volgt gespecifieerd: “TCF” of typical color form, “RCF” of red color form, “UMV” of Usambara mountain variant, “SCF” of silver color form en “DCF” of dark color form. Als men de termen “Usambara”, “spinifer” of “mamillatus” gebruikt, weet je dat men de lichtrode variant, RCF, bedoelt (bron).


Danniella Sherwood, een gerenommeerd taxonomiste, maakt de terechte opmerking dat “het onderscheiden aan de hand van kleurvarianten in de hobby erg willekeurig en problematisch is. Hoe rood moet een spin zijn om als “RCF” te worden gecategoriseerd en hoe donker voor “DCF”? Ik hoop van harte dat we in de toekomst de hobbyisten kunnen overtuigen om variëteiten te specifiëren aan de hand van diens locaties, daar dit een veel betere indicatie geeft dan wat we de voorbije 20 jaar hebben gedaan in de hobby.” (voor de originele quote, kies voor Engels in de dwarsbalk) 


I. SPECIFIEKE INFORMATIE

Wetenschappelijke naam: Pterinochilus murinus.

Subfamilie: Harpactirinae.

Nederlandse naam: Oranje baviaanspin.

Ook bekend als: Orange baboon tarantula, OBT, Mombasa golden starburst tarantula, Usambara baboon, Orange bitey thing, Pterror.

Gedateerde namen: Harpactira elevata Karsch, 1878, Pterinochilus mamillatus Strand, 1906, Pterinochilus vosseleri Strand, 1907, Pterinochilus hindei Hirst, 1907.

Variaties: TCF, RCF, UMV, SCF, DCF. Gelieve evenwel de schuingedrukte quote hierboven te lezen.

World spider catalog

Type: Bodembewonende vogelspin. Sommige varianten vertonen eerder boombewonende eigenschappen.

Categorie: Old world tarantula. Deze spinnen zijn minder geschikt voor beginnende hobbyisten.

Brandharen: Nee.

Gif: Afhankelijk van de locatie van de beet en de hoeveelheid gif dat werd toegediend, kan dit een zeer pijnlijke ervaring zijn.

HerkomstAngola, Burundi, CongoKenya, MalawiTanzania, Zambia, Zimbabwe (Centraal-, Oost- en Zuid-Afrika).

Lichaamslengte: ≤ 4-6cm.

Spanwijdte: ≤ 12-15cm.

Groeisnelheid: Snel.

Levensverwachting: Tot 12 à 15 jaar. Mannetjes sterven rond de 3 à 4 jaar.

Gedrag: Laat u niet misleiden door haar schoonheid. De spin zal, bij gebrek aan een vluchtweg, een dreigende houding aannemen en desgevallend bijten. Dit wil je echt niet meemaken (bron). Ook staat Pterinochilus murinus erom bekend heel mooie webben te maken. Naarmate ze ouder worden, voegen ze meerdere in- en uitgangen toe aan hun complex, met een uitgestrekt, eerder onzichtbaar, web voor de in- en uitgangen om prooien sneller te kunnen lokaliseren. Kortom, de complexiteit van een Pterinochilusweb is een technisch hoogstandje en een genot om naar te kijken.

Toegankelijkheid (1/beginner, 10/expert): 8.


II. INFORMATIE VOOR HOUDERS

>>> Eerste hulp

In het Zuiden kunnen de temperaturen eerder fris zijn, rond 18°C, met een warmteseizoen tussen 26°C en 28°C. In de Zambezi-vallei daarentegen klimmen de temperaturen eerder tot 32°C en 35°C. De spinnen zullen zich echter beschutten tegen zowel koude als warmte door verlaten holen in te palmen, zich in te webben in bossen, savannes, woestijngebied of onder woningen (bron). De waargenomen temperatuur voor de spin in haar schuilplaats is anders dan de omgevingstemperatuur. Gaat u het terrarium dus niet overdreven verhitten.

Omgevingsfactoren

Temperatuur: 24°C-28°C (dag), 20°C-24°C (nacht).

Luchtvochtigheid: 40-60%. De vochtigheid mag toenemen tot 70-80% van oktober tot en met december.

Terrarium

Volwassen: LxBxH: 35x30x40. 3-4x spanwijdte in hoogte én oppervlakte.

Kleiner dan volwassen: Min. 3x spanwijdte in hoogte én oppervlakte.

* Voorzie voldoende schuilplaatsen en oppervlakten voor de spin. Pterinochilus murinus kan, zeker in haar jongere jaren, boombewonend gedag vertonen.

Substraat

Volwassen: 1x spanwijdte.

Kleiner dan volwassen: Minimaal 0,75/1x spanwijdte.

* Maak het substraat niet te vochtig, maar eerder droog.

Klimaat 

Gezien het feit dat Pterinochilus murinus erg verspreid over Centraal-, Oost- en Zuid-Afrika voorkomt, zou het uitkiezen van 1 locatie een vertekend beeld kunnen geven. In de hobbykamers van de lage landen is echter voornamelijk de Kenyaanse en/of Tanzaniaanse variant terug te vinden. Houdt u vooral rekening met de omgevingsfactoren zoals hierboven omschreven.


III. INFORMATIE VOOR KWEKERS

Hoezeer haar houding naar de buitenwereld toe anders laat vermoeden, verlopen de paringen met het Pterinochilus-genus opmerkelijk rustig, meer nog… Het is niet uitzonderlijk dat het mannetje tijdelijk bij het vrouwtje intrekt. Alvorens u dit alles iets té romantisch gaat inschatten, wens ik u er toch op te wijzen dat ook de taaie tantes van het Pterinochilus-genus het mannetje zonder wroeging van het leven kunnen ontnemen. Verwijder de man dus best uit het terrarium na 1 succesvolle paring. Probeer het nadien eventueel nog eens.

• Ga pas een 4-6 tal weken (of later) nadat de spin verveld is kweken. Indien de verpaarde spin vervelt tussen paring en cocon zal uw cocon niet bevrucht zijn.

• Doorvoed de vrouw alvorens tot de paring over te gaan. Ga ze echter niet vetmesten.

• Ongeveer 2 tot 3 maanden na de paring zal de vrouw op de bodem van haar schuilplaats een eicocon maken. Ontneem de cocon een 4-tal weken nadat u de cocon ontdekt heeft. Plaats de eieren in de incubator bij een temperatuur tussen 24°C en 28°C en een luchtvochtigheid van ongeveer 70%. In sommige gevallen mag u een tweetal maanden na de eerste cocon nog een cocon verwachten. Uit beide cocons zullen wellicht een 100-tal spiderlingen tevoorschijn komen.


IV. WIST U DAT…

• “murinus” in Pterinochilus murinus staat voor “muis”? Haar naam heeft ze dus te danken aan het feit dat ze wel eens een muis aan de tanden rijgt.

Pterinochilus murinus zo snel is dat er soms wordt gesteld dat ze kan teleporteren?

Pterinochilus murinus ook “Orange bitey thing” of “Pterror” wordt genoemd omdat ze wel héél defensief is?

Pterinochilus murinus haar webben tot onder en hoog boven het aardoppervlak kunnen reiken. Ze combineert de eigenschappen van zowel bodem- als boombewoners.


V. LITERATUUR

Revision of the African genera Pterinochilus and Eucratoscelus (Araneae, Theraphosidae, Harpactirinae) with description of two new genera.

Symptom in search of a toxin: muscle spasms following bites by Old World tarantula spiders (Lampropelma nigerrimum, Pterinochilus murinus, Poecilotheria regalis).


VI. COPYRIGHT

• Tekst: Dennis Van Vlierberghe (facebookgroep en –pagina)

• Fotografie: Michael Pankratz (flickr)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *