Thrigmopoeus truculentus

0.1 Thrigmopoeus truculentus

Thrigmopoeus truculentus Pocock, 1899 is een erg mooie graafspin uit de Western Ghats van Indië. In contrast met de erg geliefde en kleurrijke Thrigmopoeus psychedelicus is Thrigmopoeus truculentus lichtbruin. Mispak u echter niet aan haar schoonheid. De spin wordt vaak verward met de grotere en donkerdere Thrigmopoeus insignis. Er bestaat heel wat twijfel over of deze dieren in de hobby niet allebei Thrigmopoeus truculentus zijn, maar dan gewoon met een verschillend label. In Uttara Kannada en Goa werd de spin erg vaak aangetroffen nabij Chilobrachys fimbriatus. Het genus is taxonomisch en in distributie erg gerelateerd aan Haploclastus. De spin laat op verschillende plaatsen grote populaties opmerken, maar is in relatie tot haar distributiegebied eerder zeldzaam. Thrigmopoeus truculentus staat gemarkeerd als “bijna bedreigd” op de IUCN Rode Lijst voor Bedreigde Diersoorten


I. SPECIFIEKE INFORMATIE

Wetenschappelijke naam: Thrigmopoeus truculentus.

Subfamilie: Thrigmopoeinae.

Synoniemen: /

Ook bekend als: Lesser Goa Mustard Tarantula. Karwar Large Burrowing Spider. Neem er nota van dat Thrigmopoeus truculentus niet meer werd opgemerkt in Karwar haar eerste wetenschappelijke omschrijving in 1899.

Gedateerde namen: Thrigmopoeus truculentus Pocock, 1899, Thrigmopoeus minor Strand, 1907.

World spider catalog

Type: Thrigmopoeus truculentus is een graafspin.

Categorie: Old world tarantula.

Brandharen: Nee.

Gif: Afhankelijk van de locatie van de beet en de hoeveelheid gif dat werd toegediend, kan dit een zeer pijnlijke ervaring zijn. Op heden is er echter nog geen wetenschappelijk onderzoek dat de sterkte van het gif bevestigt.

Herkomst: Thrigmopoeus truculentus is endemisch aan de noordelijke Western Ghats Karnataka, Goa en de zuidelijke Maharashtra, van Amboli in het Noorden tot Madikeri in het Zuiden. De spin werd aangetroffen op altitudes van 200 tot 1000m. Thrigmopoeus truculentus werd niet meer aangetroffen in Karwar sinds haar eerste wetenschappelijke beschrijving in 1899. Klik hier om de distributie van Thrigmopoeus truculentus op kaart te zien.

IUCN Red List: De spin wordt erg vaak aangetroffen op verscheidene plaatsen, maar is in relatie tot haar distributiegebied eerder zeldzaam. Wat je moet weten over CITES.

Lichaamslengte: ≤ 6-7cm. Sommige bronnen spreken over 8cm.

Spanwijdte: ≤ 12-16cm. Sommige bronnen spreken over 20cm.

Groeisnelheid: Medium.

Levensverwachting: Geen betrouwbare bron beschikbaar.

Gedrag: Thrigmopoeus truculentus kan erg defensief zijn, maar zal wellicht eerst de vluchtweg opteren. Aanhoudende provocatie kan resulteren in een dreighouding, stridulatie en/of een beet. De spin zal zichzelf ingraven en zich slechts bij uitzondering laten opmerken.

Seksueel dimorfisme: Ja. Vrouwtjes zijn groter en robuuster. Volwassen mannetjes zijn slank en hebben opmerkelijk lange poten.

Toegankelijkheid (1/beginner, 10/expert): 7.


II. INFORMATIE VOOR HOUDERS

>>> Eerste hulp

Thrigmopoeus truculentus verblijft in groene bossen met erg veel bladeren op de bodem en een intensieve moessonperiode. Warme luchttemperaturen zijn niet onbekend voor de regio. De spin gaat zich echter beschermen door zich in te graven op plaatsen waar zo weinig mogelijk zonlicht komt, zoals onder boomstronken in modderbunkers (langs de weg). Gaat u het terrarium dus geenszins oververhitten. Grassen en varens bedekken de holen van de dieren tijdens en na de moessoenperiode. Juveniles en halfvolwassen dieren van verschillende cocons werden opmerkelijk vaak aangetroffen in individuele holen nabij een volwassen vrouw. Observaties tonen aan dat de soort kampt met een erg hoog sterftecijfer tot wel 95% van de juveniles en halfvolwassen dieren in de eerste 2 jaar. Gezonde populaties en dieren werden voornamelijk gevonden in plaatsen met een minimum aan verstoring. In Uttara Kannada en Goa deelt de spin haar habitat met Chilobrachys fimbriatus.

Omgevingsfactoren

Temperatuur: 24-30°C (dag), 22-24°C (nacht).

Luchtvochtigheid: 70-80%.

* Een microklimaat met een minimum aan zonlicht, relatief hoge luchtvochtigheid (70-80%) en temperaturen tussen 22-30°C is ideaal voor lokale graafspinnen. Vanwege de optimale omstandigheden werden door Silwal & Molur tot wel 323 schuilplaatsen van verschillende vogelspinnen over 200m aangetroffen.

* Regenval is opmerkelijk hoog voor 3-4 opeenvolgende maanden.

Terrarium

Volwassen: LxBxH: 20x20x30. 2x spanwijdte in hoogte.

Kleiner dan volwassen: 2x spanwijdte in hoogte.

Substraat

Volwassen: 1,5-2x spanwijdte.

Kleiner dan volwassen: Min. 1x spanwijdte.

* Houd het substraat lichtvochtig.

* Let erop dat terraria met ene hoge vochtigheid gevoelig zijn voor mijten en andere parasieten. Neem uw voorzorgen.

Klimaat

Vochtig seizoen: Juni, juli, augustus.

Droog seizoen: November, december, januari, februari, maart, april.

Warmste maanden: Februari, maart, april (de hoeveelheid neerslag is laag).

Koudste maanden: Juli, augustus.

Voor meer informatie over het plaatselijke klimaat: Klik hier.

* Je kunt gerust overgaan tot een verdeling die beter samengaat met het klimaat in uw streek. Ga echter niet onder minima of over maxima en verdeel het jaar in die mate dat de spin langere of kortere seizoenen ervaart, zoals hierboven weergegeven. Dit is extra belangrijk als u zichzelf op de kweek wenst toe te werpen.

* BELANGRIJK: Neem er akte van dat Thrigmopoeus truculentus groene bossen bevolkt op plaatsen waar zonlicht amper de bodem bereikt, met een algemene luchtvochtigheid van 70-80% en gemiddelde temperaturen van 22-30°C. Tijdens de moessonperiode (juni, juli, augustus) en erna zijn de schuilplaatsen van de spinnen bedekt met grassen en varen. Houd uw omgevingsfactoren vrijwel constant.

Thrigmopoeus spp. distributie

Thrigmopoeus truculentus is endemisch aan de noordelijke Western Ghats Karnataka, Goa en de zuidelijke Maharashtra, van Amboli in het Noorden tot Madikeri in het Zuiden. De spin werd aangetroffen op altitudes van 200 tot 1000m. Thrigmopoeus truculentus werd niet meer gezien in Karwar sinds haar eerste wetenschappelijke beschrijving in 1899.

Klik hier voor een map van Thrigmopoeus truculentus.

Klik hier voor een map van Thrigmopoeus insignis.

Klik hier voor meer informatie over Thrigmopoeus psychedelicus (southern Kerala State, Indië).


III. INFORMATIE VOOR KWEKERS

Kweken met Thrigmopoeus truculentus is doorgaans niet zo moeilijk. Voorzie de dame van een degelijk terrarium en de plaats om een cocon in de vorm van een hangmat (foto) te bouwen.

• Ga pas een 4-6 tal weken (of later) nadat de spin verveld is kweken. Indien de verpaarde spin vervelt tussen paring en cocon zal uw cocon niet bevrucht zijn.

• Doorvoed de vrouw alvorens tot de paring over te gaan. Ga ze echter niet vetmesten.

• Introduceer de man bij 25°C en houd de temperatuur ongeveer constant doorheen het hele proces.

• Je zou kunnen overwegen om het terrarium 10 weken na de paring vochtiger (niet zeiknat) te zetten.

• Ongeveer 3 maanden na de paring zal de vrouw overgaan tot het maken van de cocon in de vorm van een hangmat (foto). Ontneem de cocon, indien gewenst, 5 weken later. Bewaar de nymfen (stadium 2) bij een luchtvochtigheid van 80% en een temperatuur van 24°C. De cocon kan wellicht 100-300 spiderlingen voortbrengen. Hoe kleiner de vrouwtjes, hoe kleiner het aantal eitjes (wellicht). Zoals vermeld door Hans Cools in het onderstaande artikel (Engels), kan het zelfs 6 maanden duren voordat de vrouw de cocon gaat maken. 

• Je zou kunnen overwegen om de eieren bij de moeder te laten uitkomen.

• Pas op: Indien je een paring plant met een vrouwtje die ongeveer even groot is als het mannetje, gaat u het mannetje dan onmiddellijk na de paring van het vrouwtje scheiden. Verdez schrijft in het boek “Tarantulas, Breeding Experience & Wildlife”, door Cléton, Sigwalt & Verdez, dat in zulke omstandigheden reeds mannetjes werden gezien die na het paren hun vrouwtjes oppeuzelen.


Volwassen man

Tibiaalhaken: Nee.

1.0 Thrigmopoeus truculentus

1.0 Thrigmopoeus truculentus


IV. WIST JE DAT…

• Geschat wordt dat spiderlingen van graafspinnen 2 vervellingen doorstaan alvorens het ouderlijk nest te verlaten?

Thrigmopoeus truculentus vaak wordt aangetroffen aan de basis van bomen in modderbunkers, soms zelfs tot 5m boven het grondoppervlak? 

• Het sterftecijfer onder juveniles en halfvolwassen Thrigmopoeus truculentus in het wild erg hoog ligt?

Thrigmopoeus truculentus bijna bedreigd is in haar natuurlijke habitat? Lees meer.

• Juveniles en halfvolwassen Thrigmopoeus truculentus van verschillende cocons vaak in individuele kamers nabij een volwassen vrouwtje worden aangetroffen?

Thrigmopoeus truculentus vaak voorkomt in verschillende gebieden, maar eerder zeldzaam is in haar distributiegebied?


V. LITERATUUR

Redescription, distribution and status of the Karwar Large Burrowing Spider T. truculentus Pocock, 1899 (Araneae: Theraphosidae), a Western Ghats endemic ground mygalomorph (2009).

IUCN Redlist.

• Verdez, J.-M. & Cléton, F. (2003): T. truculentus, Pocock 1899 DeArGe Mitteilungen 8(4): 20-26.


VI. COPYRIGHT

Speciale dank gaat uit naar Hans Cools van Belgian Tarantula Breeding Team om het onderstaande artikel op deze website te delen.

• Tekst: Dennis Van Vlierberghe (facebookgroup and –page)

• Fotografie: Yvonne Kindl (flickr)


VII. OBSERVATIONS ON KEEPING AND BREEDING THRIGMOPOEUS TRUCULENTUS, by Hans Cools

– As published in the Journal of British Tarantula Society 2014, volume 29, nr. 3. In that time, the scientific paper about Thrigmopoeus psychedelicus Sanap & Mirza, 2014 wasn’t pulished yet. 

Introduction

I came in touch with Thrigmopoeus truculentus some years ago, when a fellow hobbyist had bred them for the first time in the Benelux. He gave me two large spiderlings early in the year 2010. His breeding dated back to June 2009. He was able to breed the species again in 2011, and gave me some spiderlings once more. Out of the three spiderlings I got the second time, only one survived. It is now (mid 2014) a juvenile/subadult male. My two original spiderlings both survived and turned out to be two beautiful adult females. Thrigmopoeus truculentus is not easy to find in the hobby. Seldom bred, males are subsequently scarce.

Classification

The genus Thrigmopoeus was described in 1899 by Pocock. He described two species: T. insignis and T. truculentus, both indigenous to India. Together with the genus Haploclastus, Thrigmopoeus belongs to a Theraphosidae subfamily called Thrigmopoeinae. These spiders are burrowers, but differ in the way they build their egg sac. While members from other Asian subfamilies, such as Selenocosmiinae and Ornithoctoninae, carry their egg sacs; Thrigmopoeus spp. and Haploclastus spp. build an egg sac fixated to a horizontal structure. In the hobby, this is often referred to as a ‘hammock’ and can also be observed by African species of the Harpactiriniae subfamily. The need for a horizontal structure is important to remember when setting up an enclosure for these animals. More on that later.

Locality

According to the IUCN Red List of Threatened Species, Trighmopoeus truculentus is endemic to the Western Ghats of Karnataka and Maharashtra. The species is found in Amboli in the north and Madikeri in the south, at an altitude range of 200 to 1000m.

Keeping

As stated earlier, I have two adult females of this species. I both keep them in a standard 5,8 liter plastic container (185x185x190mm). I filled about three quarters of the enclosures with peat. On top of that, I put a piece of cork bark, placed horizontally. I found that there was no need to pre-dig an entrance under the cork bark. The females soon started digging under the bark, removing soil from under the bark an placing it on top. After a few weeks, the pieces of cork were not visible anymore. Both females had made a double entrance under the bark, heavily reinforced with web. I kept the soil moist by flooding the enclosures every couple of weeks, making sure the water did not flood their actual burrow. The room in which the enclosures were kept, had a temperature between 23° C and 28° C, depending on the season, with small temperature drops at night.

Breeding

Thrigmopoeus truculentus
Mating of the first female © Hans Cools

Together with some other friends in the Belgian Tarantula Breeding Team, we had four adult females in the course of the year 2013. We had been looking out for an adult male for some months when we finally found one for sale in Hamm. I was able to get the male in November 2013. At this point, he had already mated with (at least) one other female, and was not looking too good. To be honest, I thought he would die any day. There was hardly any movement at all, even when pushed or poked. I had already given up hope that he could inseminate one, let alone two females. Still, if he was going to die, I could just as easy try and introduce him with the first female. What I saw then was incredible. This old male spider that I had believed to be almost dead, suddenly came to life. Reacting on the initial vibrations of the female, which were pretty heavy to say the least, he immediately took a steady posture and started drumming towards the female. Within minutes, I had seen a mating with several succesful penetrations. Interesting to note: I could ‘hear’ the penetrations, as if his bulbi ‘clicked’ into the female’s epigastric plate. The mating ended without any sign of agression, and I was able to remove the male from the female’s enclosure.

Thrigmopoeus truculentus
Mating of the second female © Hans Cools

Nine days later, after I had observed the creation of a new sperm web, I introduced the male in the second female’s enclosure. History repeated itself: the almost dead male came to life after feeling the initial vibrations of the female, and another succesful mating was observed. Once again, no agression, and the male moved on to another hobbyist. Over there, he was also able to inseminate another adult female. So in total, he mated with at least four females. After the matings, both females got about 50% more food than they regularly would. As mentioned in the introduction of this article, I know that Thrigmopoeus truculentus had been bred in Belgium twice before. In those cases, the time between mating and building the eggsac were about three months. Anticipating this, I flooded the enclosures about two and a half months after the matings took place, having had kept it dry for all those weeks. Yet… nothing happened. I was afraid it was going to be a failure and had given up hope as I had not been able to observe anything in more than six months after the matings. Until… Almost seven months after the mating, I noticed an egg sac in the enclosure of the first female. I had no idea when it was created, so I checked it every day without disturbing the female. Nine days later, I saw the leftovers of an egg sac on top of her burrow. Curious, yet afraid that it had been eaten, I decided to check. As they are built very firm, it was necessary to destroy most of the burrow. On the underside of the piece of cork bark, I discovered an opened egg sac with a flock of nymphs in their second stadium. I was able to remove them all and put them in an incubator. As I had obviously missed the creation of the first egg sac, and had discovered it only quite some time after, I decided to also check upon the second female. To my surprise, I didn’t find nymphs there, but fullgrown spiderlings! It’s clear that these spiders have a very good way of hiding their egg sacs. So once again, I started digging out the burrow, removing the female and seperating the spiderlings. Here’s a detailed overview of both breedings and their results:

Detailed overview of both matings of Thrigmopoeus truculentus and their results

Quite interesting to note: It was the second female that had obviously built the first sac; at the time she had spiderlings running around in her burrow, the offspring of the first female had only reached the second nymph stadium. They moulted to spiderling three weeks after I had removed them from the enclosure of their mother.

Conclusion

Even though they are not bred that often, I found few difficulties leading this project to a (double) success. Perhaps these two breedings will result in this species being more available in the hobby the coming years.

Acknowledgements

Kind regards go out to Tom Lehouck for the animals, the breeding information and advice, Geert Geuns for the adult male, and Matthijs Tempelman, Eddy Hijmensen and Jean-Michel Verdez for their help and advice in writing this article.

References

• Verdez, J.-M. & Cléton, F. (2003): T. truculentus, Pocock 1899 DeArGe Mitteilungen 8(4): 20-26.

• Platnick, N.I. (2014): The world spider catalog, version 15. American Museum of Natural History. Web. July 2014.

• ‘Thrigmopoeus truculentus (Karwar Large Burrowing Spider)’. The IUCN Red List of Threatened Species (2014.2). IUCN, Gland, Switzerland and Cambridge, UK. Web. July 2014.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *